ZOEKEN:

Xinjiang (新疆), officieel de Xinjiang Uyghur Autonome Regio, ligt in het noordwesten van China. Het gebied werd vroeger aangeduid als Chinees Turkestan. De aan de Turken verwante Uyguren zijn de belangrijkste bevolkingsgroep (45%), maar de Han-Chinezen maken inmiddels 40% van de bevolking uit. Daarnaast wonen er Kazakhen, Tajieken, Kirgiezen, Hui en Mongolen in Xinjiang. Xinjiang heeft een bevolking van in totaal 22 miljoen mensen die wonen op een oppervlakte van 1.665.000 km². De hoofdstad is Urumqi.

De belangrijkste reisbestemmingen zijn:


  • XINJIANG 新疆

    Xinjiang (Nieuw Gebied) zoals dit autonome gebied sinds 1883 officieel heet, ligt in het uiterste noordwesten van China, bestrijkt ongeveer een zesde deel van de totale oppervlakte van het land, en is ruwweg zes keer zo groot als West Duitsland. Het gebied is het meest bekend geworden door de beroemde Zijderoute, de eeuwenoude handelsweg van China naar Europa.

    Bevolking

    De bevolking van 21,8 miljoen (2010) bestaat voor 40% uit Han-Chinezen die vooral na 1965 naar de provincie zijn gekomen als gevolg van de actieve kolonisatiepolitiek van de overheid. De overige 60% van de bevolking wordt voor het merendeel gevormd door de Turkstalige, islamitische minderheden, die het gebied al sinds eeuwen bevolken.

    De grootste groepen vormen de Uyguren (45%) en de Kazakhen (7%). De Kazakhen wonen in de noordelijke vlakte van Xinjiang, het Junggar-gebied, dat een natuurlijke eenheid vormt met de Sovjetrepubliek Kazakhstan aan de andere kant van de grens. De Kazakhen leiden in het algemeen een nomadenbestaan. De Uyguren vinden we vooral in de oases in het zuiden van Xinjiang. De meesten zijn al heel lang geleden landbouwers geworden. De rest van de bevolking wordt gevormd door de Kirghiezen, Uzbeken en Tataren. Verder wonen er Tajieken die een aan het Perzisch verwante taal spreken, en tot slot de Hui (Chinese moslims), die qua aantal een kleine groep vormen.

    Geografie

    Xinjiang omvat een gebied van 1.665.000 km². Het zuiden van Xinjiang is een grote woestijn. Het noorden bestaat uit uitgestrekte steppen. De zuidgrens wordt gevormd door het Kunlun-gebergte, dat in het westen overgaat in de Karakorum en de Pamir. Na de Himalaya en het Andesgebergte behoren zij tot de hoogste bergketens ter wereld. Het noordelijk deel van Xinjiang wordt van het zuiden gescheiden door het Tian-gebergte en daartussenin ligt het Tarimbekken met de zeer desolate Taklamakan-woestijn. Taklamakan betekent ‘men keert er niet uit terug’. Leven is er alleen aan de rand van de woestijn, in de oude handelssteden Kashi, Khotan, Yarkand, Taxgurkan en Aksu, aan de historische Zijderoute. Hier wonen de meeste Uyguren.

    Er is een rijke voorraad aan natuurlijke bodemschatten met grote hoeveelheden olie en steenkool. De oases zijn, mits goed geïrrigeerd, tamelijk vruchtbaar. Enkele belangrijke landbouwproducten zijn tarwe, mais, katoen, watermeloenen en druiven. Verder is sinds 1949 de wolindustrie in het noorden van Xinjiang en rond Urumqi ontwikkeld.

    Klimaat

    Xinjiang is een van de weinige plaatsen in de wereld waar het in de woestijn kan sneeuwen. De gehele provincie ligt betrekkelijk hoog en loopt naar het westen op. We vinden in Xinjiang tevens een van de diepste plekken op aarde, het Turpan Bekken, dat 154 meter onder de zeespiegel ligt. In de zomer kan de temperatuur hier oplopen tot 49ºC. Ook de rest van Xinjiang is in de zomer zeer heet. In de winter liggen de temperaturen in Urumqi rond -30ºC, in Kashi komen dan zelfs temperaturen voor van -50ºC. Regen valt er nauwelijks in Xinjiang.

    GESCHIEDENIS

    Het gebied dat nu Xinjiang heet wordt al millennia lang bewoond. Gevonden mummies en skeletten duiden op mensen met zowel een Oost-Aziatische als een Kaukasische achtergrond.

    Xiongnu

    XiongnuDe Turkse Uyguren zijn nu de belangrijkste bevolkingsgroep. Maar de oorsprong van de Turkse beschaving moeten we zoeken in het steppegebied waar nu Buiten-Mongolië ongeveer ligt. Hier woonden nomadenvolkeren die vele veroveringstochten uitvoerden. Het eerste bekende nomadenrijk was dat van de Xiongnu, dat vanaf ongeveer 1200 v.Chr. bestond. Het gebied strekte zich tot over Xinjiang uit. In Xinjiang trokken volkeren rond of leefden in de vruchtbare oases. Het gebied was de corridor tussen Centraal- en Oost-Azië en er werden tussen verschillende gebieden goederen uitgewisseld.

    Dat trok vanuit verschillende kanten belangstelling. Zo reikten de veroveringen van Alexander de Grote in de 4e eeuw v.Chr. tot over het Perzische Rijk en helemaal tot de Fergana Vallei (nu in het noorden van Pakistan, grenzend aan Xinjiang). Er wordt soms wel beweerd dat ‘verloren’ Griekse troepen achterbleven en zich mengden met de bevolking in Xinjiang. In het Xinjiang Museum in Urumqi zijn Griekse artefacten uit de 3e eeuw v.Chr. te zien, die bewijzen dat er tenminste interactie is geweest.

    De stammen-federatie van de Xiongnu omvatte Mongoolse, Turkse, Siberische, Oeraalse en Perzische volkeren, die leefden in een groot gebied ten noorden van China, van Siberië tot de Noord-Kaukasus. In Europa kennen we de Xiongnu als de Hunnen, maar daar verschenen ze pas in de 5e eeuw na Chr. ten tonele. De nomadische volkeren die, eeuwen daarvoor, rondtrokken in Xinjiang werden aangetrokken door de welvaart die door handel en landbouw ontstond in de oases. Zo wijzen Chinese bronnen op de Yuezhi die hier leefden en die aan de Chinezen uit het Tarimbekken afkomstige jade leverden. De Yuezhi zouden door Xiongnu in de 2e eeuw v.Chr. worden verdreven naar Fergana en verder westwaarts naar Bactrië.

    De Chinese rijken hadden veel last van de Xiongnu. Vanaf de vijfde eeuw voor onze jaartelling bouwden de diverse Chinese rijken (Yan, Zhao en Qin) hoge muren om zich te beschermen tegen de invallen van nomadische volkeren uit het noorden. Na de unificatie van China door Qin Shi Huangdi (de keizer o.a. bekend van het terracotta grafleger in Xi’an) in 221 v.Chr. werden de verschillende muren aaneengevoegd.

    Han: Westelijk Gebied

    De Qin werd opgevolgd door de Han-dynastie (206 v.Chr.-220 na Chr.). Naar het noorden waren er veldtochten tegen de Xiongnu om de dreiging van plundertochten weg te nemen. De Han breidde zijn invloed uit naar het westen tot de Taklaman Woestijn, om de handel langs de Zijderoute te beschermen en de Xiongnu in toom te houden. De Zijderoute was lucratief; tollen en belastingheffingen brachten extra gelden in het laatje. Het oosten van het huidige Xinjiang werd in 107 v.Chr. door de Han-dynastie voor het eerst veroverd door het regionale rijk Gushu te verslaan. Hun centrum (Jiaohe bij Turpan) werd een militaire citadel. Er werden meer garnizoenssteden gesticht en lokale heersers werden gedwongen tribuut te betalen. Vanaf 60 v.Chr. werd het ‘Westelijk Gebied’ (西域, Xiyu) genoemd.

    In de tweede helft van de 1e eeuw na Chr. waren er diverse expedities van Han-Chinese legers in het oosten van Xinjiang, tegen opstandige heersers van o.a. Khotan, Kashgar en Turpan. Xiyu fungeerde als buffer tegen de invloed van de voortdurende dreiging van nomadische volkeren, o.a. de Xiongnu en de Sogdiërs. Om die dreiging te weerstaan werden de Chinezen gesteund door de Kushan (een clan van de Yuezhi), maar deze werden vanaf eind 1e eeuw en in de 2e eeuw zelf steeds machtiger. De Kushan vestigden in 116 een rijk rond Kashgar dat ook Khotan en Yarkand omvatte. In hun rijk was sprake van invloeden vanuit India (boeddhisme) en zelfs van hellenistische (Griekse) invloed door contacten met Bactrië.

    De Chinezen verloren in de 2e eeuw steeds meer de controle over Xinjiang, helemaal toen in 220 een einde kwam aan de Han-dynastie. Formeel bleef het een protectoraat waarbij lokale heersers tribuut betaalden aan opeenvolgende Chinese keizers van de Wei en de Jin en aan de Liang. In het westen van Xinjiang waren er lokale rijken rond Kashgar, Khotan en Kuqa, in het centrum en oosten Karahoja (met als centrum Gaochang bij Turpan). Pas in de 5e eeuw wist de Chinese Wei-dynastie in het zuidoosten weer invloed te krijgen, maar dat werd eind 5e eeuw door de Turks-talige Tuhuyun veroverd.

    Gök-Turken

    In het noorden van Xinjiang heersten nomadische stammen, vanaf de 4e eeuw onder leiding van de Rouran. Hun oorsprong bestond uit zowel Xiongnu, Mongolen als Toba (uit Gansu). Hun vorst werd Khan genoemd. In 552 werd Rouran verslagen door een Turkse clan. Zij stichtten het rijk van de Gökturken. Het zou zich gaan uitstrekken van het Baikal-meer ten noorden van Mongolië in het oosten tot de Kaspische Zee en het Aral-meer in het westen (nu Oezbekistan) tot aan Tibet in het zuiden. Rechts-nationalistische Turken (zoals de Grijze Wolven) ontlenen heden ten dage nog altijd identiteit aan de Gökturken.

    Tang

    Tijdens de Tang-dynastie (618-906) kreeg het Chinese keizerrijk vanaf 640 de handelsroutes weer onder controle. Ze versloegen de Tuyuhun en de Göktürken, daarna ook Karahoja (Gaochang bij Turpan). De Tang hadden een opstand van de Uyguren, een van de Turkse stamgroepen in het noorden, tegen de vorst die hen onderdrukte gesteund. De Uyguren werden daarna als geduchte ruiters ingelijfd in het Chinese leger en speelden een grote rol in de verovering van Xinjiang. In het westen werd het Anxi (安西,‘Vrede in het Westen’) protectoraat gesticht met garnizoenen in Karasahr, Kuqa, Khotan en Kashgar.

    In 662 brak een opstand uit en viel Tibet Xinjiang binnen. Het Tibetaanse leger wist in 670 het Tang-leger te verslaan en Kashgar te veroveren. Pas in 692 wist de Tang het gebied te heroveren. De dreiging kwam begin 8e eeuw ook van een andere kant. In 715 en 717 waren er veldslagen met de opkomende Arabische heersers die probeerden Fergana (nu noord-Pakistan) en Aksu te veroveren. Maar in 751 vond de Slag om Talas plaats waarbij het leger van de Tang werd veerslagen door het Kalifaat van de Abbasiden die hun invloed uitbreidden naar het oosten.

    De Tang stond van meerdere kanten onder druk. Na een paleiscoupe was het rijk in verwarring en in 763 wisten Tibetaanse troepen zelfs de hoofdstad Chang’an (Xi’an) te plunderen. De Tang moest de hulp inroepen van de Uygurse khan van Orhun. Vanaf 745 hadden Uygurse stamgroepen in het huidige Mongolië een rijk, het Orhun Khanaat, gevestigd. De zoon van de khan wist samen met Tang-troepen de Tibetanen te verdrijven uit Xinjiang en kon de Tang zijn controle herstellen. De zoon, later khan, bekeerde zich tot het christendom en maakte van het Manicheïsme de religie van het Uygurse rijk. In 840 veroverden Kirgiezen de hoofdstad van het Orhun Khanaat. Een groot deel van de Uyguren week uit naar Xinjiang en Gansu. Zij gaven het nomadendom op en gingen zich hier als boeren en handelaars vestigen in de plaatsen langs de Zijderoute, vooral rond Turpan en het huidige Urumqi.

    Een deel van de Uyguren stichtte een koninkrijk in Gansu rond Dunhuang, het Gansu Khanaat (870-1063). De Uyguren in Xinjiang stichtten een boeddhistisch koninkrijk met als hoofdstad Gaochang bij Turpan, het Idikut Khanaat (850-1250). Dit koninkrijk, ook bekend onder de oude naam Karahoja, kende een bloeiende beschaving. Bekend zijn onder meer de complexe irrigatiewerken, de karez, die zijn aangelegd om de woestijn te bevloeien.

    In (het huidige) Kirgizië en het westen van Xinjiang ontstond het Rijk van de Karakhaniden (870-1212), een soort federatie van Turkse stammen, met Kashgar als hoofdstad. Het was boeddhistisch, maar in de 10e eeuw bekeerde een aantal Turkse leiders zich tot de Islam, wat het tijdperk van de islamisering van Turkestan inluidde. Khotan, dat Perzisch-talige vorsten en nauwe banden met Dunhuang had, wist zich lang te verzetten, maar werd in 1006 veroverd door de Karakhaniden en uiteindelijk ook islamitisch.

    Mongoolse overheersing

    In 1132 vluchtten de Mongoolse Kara-Kitan uit Manzurije (noordoost-China) en wisten zowel het Rijk van de Karakhaniden als Karahoja (Turpan-Urumqi) te overheersen. Ze behielden hun nomadische levenswijze en religie (boeddhisme en animisme), maar bemoeiden zich niet met de cultuur van hun onderdanen. Die bleven boeddhistisch dan wel islamitisch, terwijl ook een groot deel het christelijke Nestorianisme bleef aanhangen.

    De Kara-Kitan werden op hun beurt in 1211 door de Naimanen overvleugeld, een machtig khanaat uit west-Mongolië dat in 1202 door Djenghiz Khan was verslagen. Ondertussen hadden de Uyguren van Karahoja zich al in 1209 aan Djenghiz Khan overgegeven en in 1218 veroverde hij geheel Kara-Kitan. Daarmee werd Xinjiang opgenomen in het Mongoolse Rijk.

    Kublai Khan, de kleinzoon van Djenghiz Khan, was niet alleen Groot-Khan van de Mongolen, maar stichtte in 1279 ook de Yuan-dynastie en was daarmee de keizer van China. In zijn tijd heersten de Mongolen over zeer grote delen van Azië en zelfs delen van Europa. Hoewel ze bekend staan als wrede en woeste krijgers en ruiters, zorgde dat ook voor de Pax Mongolica. Doordat zo’n groot gebied nu onder één gezag viel kon er veel gemakkelijker gereisd en gehandeld worden en daarvan profiteerde de Zijderoute. Daar konden zelfs Europese handelaren gebruik van maken, zoals de Polo’s uit Venetië. Marco Polo reisde in 1273-75 van Kashgar via Yarkand en Dunhuang naar het oosten van China en liet daarvan zijn prachtige vertellingen na.

    In 1225 werd het Khanaat van Chagatai (de tweede zoon van Djenghiz Khan) gesticht. Het omvatte wat nu Afganistan, Oezbekistan, delen van noord-Iran, Tazjikistan, Azerbeijan, Kazakhstan en Kirgizië is. Na allerlei interne strijd tussen de Mongolen breidde het richting oosten uit met grote delen van Xinjiang en kreeg in 1266 een min of meer onafhankelijke status. Het rijk werd ook wel Turan genoemd: het land van de Turken.

    Na 1340 viel Chagatai na interne onrust uiteen. Het oostelijke deel werd Moghulistan en omvatte Xinjiang, Fergana, en delen van Kirgizië en Kazakhstan. De idikut van Gaochang (Turpan) bleef onderhorig aan de Yuan-keizer. In 1389 werden ook Turpan en Hami aan het rijk toegevoegd en dat markeert de overgang van boeddhisme naar islam in dit deel van Xinjiang.

    Moghulistan viel aan het begin van de 16e eeuw weer uiteen in de facto onafhankelijke rijken. Zo ontstond er in Oost-Turkestan in 1514 een alliantie van Kashgar met Yarkand, Khotan, Aksu en Uqturpan.

    De Dzjoengaren (een stam van de Oirat-Mongolen) hadden sinds de 15e eeuw de controle over een groot gebied, van Korea tot aan Hami in Xinjiang. In de 17e eeuw kregen ze te maken met de opkomende de Russen vanuit het noorden en in het oosten de Manzu, die in 1644 de Qing-dynastie stichtten. De Dzjoengaarse vorst Batur breidde zijn gebied al enigszins uit in Xinjiang. Zijn zoon Galdan, opgeleid in Lhasa en bondgenoot van de 5e Dalai Lama, veroverde in 1679-80 Hami en Turpan.

    In de 18e eeuw had de Qing de laatste Ming-loyalisten verslagen en wilde de Dzjoengaren neutraliseren. Ook in Tibet kwam er steeds meer weerstand tegen de Dzjoengaarse overheersing. In 1720 verdreef een Chinees leger de Dzjoengaren uit Tibet en werd Tibet tot protectoraat van de Qing verklaard. Hierna volgden jarenlange schermutselingen tussen de Qing en de Dzjoengaren, met op de achtergrond de naderende Russen, die al meer dan honderd jaar bezig waren hun controle in Centraal-Azië uit te breiden.

    Qing China

    In 1755-27 werden de Dzjoengaren definitief verslagen en in 1759 werd het dunbevolkte oosten van Xinjiang door de Qing-dynastie bij China ingelijfd. Het gebied werd gebruikt als strafkolonie en de troepen werden gelegerd in garnizoenen die zelfvoorzienend moesten zijn. De komst van meer Han-Chinezen, maar ook Hui en Turks-talige soldaten-landbouwers leidde tot veel veranderingen. De lokale begs kwamen onder gezag van Qing-bestuurders. Begin 19e eeuw woonden er ongeveer 155.000 Han-Chinezen en 330.000 Turkstalige moslims in Xinjiang.

    Rond 1850 was de Qing-dynastie in verval aan het raken. Buitenlandse druk (Opium Oorlogen) en binnenlandse rebellie (de grote Taiping Opstand) versterkten de corruptie en verlies van centraal gezag. De belastingdruk werd steeds groter. Een klein conflict over een handelsdeal tussen een Han-Chinees en een Hui (moslim) sloeg de vonk in onderlinge spanningen en leidde in 1862 tot een opstand die begon in Shaanxi (Xi’an), en zich uitstrekte tot Gansu, Ningxia en Xinjiang. Op veel plekken waren plunderingen en werden Hui vermoord. In het westen waren veel soldaten in het Qing-leger moslim en hun lust om de dynastie te verdedigen verdween. Van die zwakke positie konden anderen profiteren.

    De khan van Kokand (uit Fergana) liet in 1865 een aanval uitvoeren op Kashgar. Hij benoemde Yakub Beg, een Tadzjiek, tot bevelhebber. Nadat deze Kashgar had veroverd, volgde de rest van Oost-Turkestan en vestigde hij een emiraat. Hij liet de Han-Chinese vendelsoldaten uitmoorden, verving de lokale begs en voerde een strenge versie van de islamitische wet in. Dit laatste overigens tegen de zin van veel Hui en Uyguren, die hem zagen als buitenlandse usurpator.

    Yakub Beg kreeg militaire steun van het Ottomaanse Rijk. Tegelijk zocht hij relaties met zowel Rusland (dat Kokand had ingelijfd) en Engeland als tegengewicht. Kashgar werd een knooppunt in de Great Game, de strijd om de macht in dit deel van de wereld.

    Nadat de Taiping Opstand en de Huis Opstand waren bedwongen kon de Qing-dynastie zich weer richten op herstel van het gezag. Er werd nu geen Manzu, maar een Han-Chinese gouverneur benoemd. Zijn leger wist in 1877 in 3 maanden het oosten van Xinjiang onder controle te krijgen. In het westen vonden er onderhandelingen plaats met Yakub Beg, maar nadat hij overleed werd in 1878 ook dit deel van Xinjiang door het Qing-leger veroverd. In het noorden had Rusland de Yili Vallei bezet en gaf daarvan na onderhandelingen slechts een klein deel terug. In 1884 werd het militaire gezag geplaatst onder ambtelijk bestuur en het gebied benoemd tot de provincie Xinjiang (betekent letterlijk ‘Nieuwe Grens’). Een van de gevolgen was dat de Uyguren zich nu ook meer in het westen van Xinjiang gingen vestigen.
    Door problemen van Rusland, Engeland en China elders werd Xinjiang in het begin van deze eeuw redelijk met rust gelaten.

    Krijgsheren

    Met de val van de Qing-dynastie in 1912 verdween het centrale gezag. Xinjiang kwam onder de heerschappij van een reeks krijgsheren waarop de republikeinse regering weinig vat had. De eerste was Yang Zhengxin, die over dit gebied heerste van 1911 tot zijn moord in 1928. Yang werd opgevolgd door een tweede tirannieke heer, Jin Shuren. In Kashgar brak in 1931 de Kumul Opstand uit en in 1933 werd de Oost-Turkestaanse Republiek uitgeroepen, die echter na een jaar door de Hui krijgsheer Ma Zhongying van Gansu namens de Guomindang-regering werd neergeslagen. Het waren turbulente tijden. Ma vocht daarnaast ook tegen Jin Shuren, tegen Witrussische troepen, terwijl de (Sovjet) Russen en de Japanners ook invloed wilden krijgen. En ondertussen verschenen er ontdekkingsreizigers / schatgravers als Sven Hedin in het gebied.

    In 1934 wist de krijgsheer Sheng Shizai met Russische hulp Ma te verdrijven. Sheng volgde aanvankelijk een procommunistisch beleid en nam verschillende communisten in zijn regering op. Vanwege de voortdurende opstanden van zowel Hui, Uyguren als Kazakhen zocht hij militaire steun bij de Sovjetunie. Hierdoor kreeg dit land grote economische en politieke invloed in Xinjiang. Sheng nam ook Stalin’s nationaliteitenpolitiek als voorbeeld. In de Qing werden moslims onderscheiden in Chinese en niet-Chinese moslims. Sheng maakte een indeling waarbij er naast Han-Chinezen, Mongolen, Manzu en Tibetanen 10 etnische groepen kwamen: Uyguren, Hui (Chinese moslims), Kazakhen, Kirgiezen, Oezbeken, Tazjieken, Taranchi, Wolga-Tataren, Xibe en Solon. Het gebruik van het woord Uyguren dateert van deze tijd. Die indeling is min of meer nog altijd de basis.

    In 1941 moesten de Russen zich terugtrekken vanwege de Duitse inval. In 1942 rukten de Guomindang-troepen van Chiang Kaishek steeds verder richting Xinjiang op. Sheng sloeg hierop om als een blad aan een boom. Hij liet zijn voormalige communistische bondgenoten oppakken en massaal executeren. Onder de geëxecuteerden bevond zich Mao Zemin, de jongere broer van Mao Zedong, die in 1938 naar Xinjiang was gestuurd om als Sheng’s financieel adviseur te werken.

    In 1944 was er de Yili Opstand in het noorden van Xinjiang. Met steun van de Sovjetunie werd daar in 1945 de Tweede Oost-Turkestaanse Republiek uitgeroepen. Na onderhandelingen tussen de Guomindang en de Russen, kwam er een soort gezamenlijk toezicht, maar dit gebied bleef tot 1949 zelfstandig.

    Volksrepubliek China

    In oktober 1949 werd de Volksrepubliek China uitgeroepen. De leiders van de Oost-Turkestaanse Republiek sloten zich aan en de Guomindang commandanten gaven zich over. Alleen Kazakhse milities bleven nog even verzet bieden. Xinjiang was weer onderdeel van China. In de eerste jaren na 1949 was de situatie in Xinjiang tamelijk stabiel. Er werd een aantal, voor de bevolking gunstige, hervormingen doorgevoerd.

    Er waren ook demografische veranderingen. In 1947 woonden er slechts 220.000 Han-Chinezen, tegenover 3 miljoen Uyguren in Xinjiang. Voor 1953 woonde 75% van de bevolking in het Tarimbekken. De overheid stimuleerde Han-Chinese immigratie naar het dunbevolkte noorden. In 1955 werd Xinjiang officieel het Uygur Autonome Gebied Xinjiang. Begin 60-er jaren werd Xinjiang steeds belangrijker voor de gas- en oliewinning. En Lop Nur werd de basis voor kernenergie, hier werd in 1964 China’s eerste kernproef gehouden.

    De Culturele Revolutie (1966-76) was in heel China een periode van radicale politiek. De maoïstische ideologie was een welhaast religieuze verheerlijking van de boeren en arbeiders. Dat kon geen concurrentie velen. In heel China werden kerken en tempels gesloten. Ook in Xinjiang werden moskeeën gesloten, kregen een andere functie en soms zelfs afgebroken. Er werd een zeer rigide assimilatiebeleid gevoerd. In deze jaren kreeg Xinjiang ook te maken met een omvangrijke overplaatsing van Han-Chinezen naar het gebied, vaak tegen hun zin. In 1957 was 23,2% van de bevolking Han, in 1960 28% en in 1982 40%. In 2010 vormden de Uyguren met 46% nog wel de grootste groep, en waren de Han nog steeds 40%. Maar daarbij werden ‘tijdelijke’ contracten (o.a. leger) niet meegeteld.

    In de 80-er jaren was de Culturele Revolutie voorbij en veranderde de politieke koers in China. Er kwam meer ruimte voor eigen initiatief en ook om uiting te geven aan religie en etniciteit. Moskeeën werden opgeknapt en nieuwe gebouwd. Er kwam zelfs een beleid van positieve discriminatie, zo mochten Han maar één kind hebben en minderheden twee. Maar de spanningen tussen Han-Chinezen en o.a. Uyguren bleven. Met de economische groei kwamen er nieuwe banen, maar die gingen vooral naar de relatief beter opgeleide Han. De winning van olie en gas en de delving van mineralen in Xinjiang waren belangrijk voor de Chinese economie. Ondertussen werden voormalige Sovjetstaten zoals Kazakhstan onafhankelijk en nam daar de welvaart toe door de olie- en gasindustrie, terwijl Uyguren in Xinjiang het gevoel hadden dat zij wingewest voor de rest van China waren. De roep om een onafhankelijk Oost-Turkestan klonk daardoor vaker.

    Tegelijk zorgde de opkomst van salafisme en jihadistische militante islam elders in de wereld dat de Chinese overheid steeds argwanender werd t.a.v. islam-studie en steeds meer controle wilde over moskeeën. In de 90-er jaren namen daardoor de spanningen toe. Er waren militante jongeren die zich keerden tegen de Chinese overheid. Begin 1997 waren er bomaanslagen door Uyguren in Yining, Urumqi en ook eenmaal in Beijing. Na 9/11 in New York in 2001 werden in de hele wereld anti-terreur maatregelen genomen, ook in China en dan vooral in Xinjiang. Dat werd breed gevoeld als repressie van islamitische bevolkingsgroepen. In 2008, 2009 en 2014 waren er terroristische aanslagen, zelfs in Kunming, en trad het Chinese leger hard op. Het kwam in verschillenden steden in Xinjiang tot bloedige rellen met honderden doden.

    Maar dat is het verhaal van repressie en kleine separatistische groepen dat veel aandacht krijgt. Tegelijk profiteren ook de etnische minderheden in meerderheid van de snelle economische groei die China doormaakt. De ‘Nieuwe Zijderoute’ van de huidige president Xi Jinping zorgt voor nog meer economische impulsen. En veel jonge goed opgeleide Uyguren en Kazakhen krijgen daardoor nieuwe kansen. Ze spreken hun eigen taal, vloeiend Chinees, maar mogen geen Arabisch leren in de moskee, want dat is inmiddels verboden. Zie hier de contradictie in het hedendaagse multi-etnische Xinjiang.